Sporten: vroeger en nu

Ik bracht mijn middelbare schooltijd door op het VMBO. Volgens mij was dat ook de periode waarin mijn eetprobleem overging in een eetstoornis. Van een verstoort lichaamsbeeld had ik, zover ik weet, geen last, geen klassieke symptomen. Ik vond mezelf niet per se te dik. Ik had vooral de behoefte om er zo min mogelijk te zijn. Onzichtbaar zijn gaat, in mijn optiek, nog altijd beter met te weinig gewicht dan met te veel. Ik had een riskant laag BMI (wat toen nog een diagnostisch criterium was), mijn menstruatie bleef uit -ik was ondertussen ver in mijn zestiende levensjaar-, compenseerde mijn eten en aankomen was geen optie.

Leven op veel te weinig brandstof is zwaar. Op gegeven moment heeft je brein simpelweg niet meer genoeg energie om helder te kunnen denken. Maar er was één ding erger dan wiskunde: lichamelijke opvoeding. Gym! Vooral in deze maanden van het jaar: lente, richting de zomer. Dan besloot mijn middelbare school dat we buiten moesten sporten. Het begon altijd met een rondje hardlopen – om wat in mijn herinnering minstens tachtig voetbalvelden waren. Daar, tijdens die rondjes, is mijn diepe afkeer van hardlopen begonnen. Afschuwelijk, dat gevoel van een lichaam dat het gewicht niet kan dragen. Zelfs niet als dat gewicht te weinig is.

Pijnlijk om te moeten zeggen: die conclusie is vandaag de dag nog steeds van toepassing. Alleen nu omgekeerd. Mijn lichaam heeft inmiddels zo’n omvang, dat ik betwijfel of het nu wel datzelfde rondje zou kunnen lopen. Niet omdat ik het niet wil – maar omdat ik weet dat het mij fysiek moeite kost om mezelf te dragen.

Tijdens mijn huidige behandeling voor mijn eetstoornis is het niet toegestaan om snel en/of veel gewicht te verliezen – daar zal ik later meer over delen. Toch heb ik besloten om iets te doen wat misschien nog wel moeilijker is dan afvallen: weer gaan bewegen, op een rustige, realistische manier. Mijn hoofd wil meteen grote doelen: de New York Marathon, triatlons, een Ironman, als het maar groots is – álles behalve een simpel rondje door de wijk op hardloopschoenen.

En toch is precies dát waar ik ga beginnen.

De komende weken wil ik grotere afstanden wandelen met Jip, vaker naar de sportschool gaan, een rondje hardlopen proberen. Misschien durf ik zelfs het zwembadwater weer eens aan te raken.

Therapie – Eetstoornis #1

Ik zat in een therapiesessie, gericht op mijn huidige eetstoornis. We raakten in gesprek, mijn therapeut haalde een dierbare van haar aan. Iemand met overgewicht, zonder eetstoornis, geen verstoring in het zelfbeeld. Tot, mijn verbazing, werd het gewicht ook niet als een probleem benoemd.

Ik vind het lastig om mijn verwarring over bovenstaande onder woorden te brengen.

Een deel van mijn eetstoornis -of in elk geval iets wat er mee verweven is- werd opeens zichtbaar. Een deel waar ik nog geen kennis mee had gemaakt. Zijn er daadwerkelijk mensen die overgewicht hebben, een zogenaamd te hoog BMI (ik ben mij ervan bewust dat BMI een beperkt meetmiddel is) zónder een eetstoornis? Geen verstoorde relatie met eten? Geen verborgen schaamte of compensatiedrang?

Het wringt en botst met mijn wereldbeeld. Voor mij heeft eten altijd te maken met het omgaan met situaties en/of problemen, emoties, zelfbeeld en/of de mate van onveiligheid in mijn leven. Dat iemand gewoon kan zijn -met overgewicht, zonder strijd- past nog niet in hoe ik de wereld begrijp.

Ik besef hoe naïef het is om te denken dat eten voor iedereen dezelfde functie heeft. Maar het blijft confronterend dat mijn referentiekader zo beperkt blijkt.

Na mijn master aan de universiteit kon je solliciteren op functies die volledig waren ingericht op onderzoek doen. Na tweeënhalf jaar doen over mijn masterscriptie (een jaar is gebruikelijk), kon ik me niets ergers voorstellen dan weer vastzitten in een onderzoeksgroep, werkend aan een onderwerp dat nog onvoldoende onderzocht is, maar waar wel een aanleiding voor moet zijn.

Of ik er goed in zou zijn? Maar potverdikkie wat zou ik een gemotiveerde student zijn.